Nog voor hun deportatie ondergingen de Nederlandse Joden ernstig onrecht. Een belangrijk onderdeel daarvan was de verplichte inlevering van al hun bezittingen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de roof in grote lijnen ongedaan gemaakt via rechtsherstel, maar dit was lang niet voor iedereen het geval. In de tweede helft van de jaren negentig ontstond, in navolging van de internationale restitutiebeweging, een tweede kans. Ook kwam naar voren dat aan overheid, banken en verzekeraars aanzienlijke bedragen uit onbeërfde Joodse nalatenschappen waren toegevallen, wat vanuit moreel oogpunt onaanvaardbaar werd gevonden. Daarnaast bleek uit onderzoek dat beurshandelaren actief bij de roof betrokken waren, wat leidde tot pogingen om de door hen toegebrachte schade te verhalen. In dit boek worden zowel het rechtsherstel als het hernieuwde restitutieproces kritisch onder de loep genomen. Waarom werd dat laatste hervat? Hoe lukte het de kleine Joodse gemeenschap om een soms harde strijd met de Staat en machtige financiële instellingen te voeren? Welke obstakels kwamen zij tegen en welke rol speelden commissies voor onderzoek en advies?
De restitutie van geroofde Joodse tegoeden biedt een diepgravende analyse van dit complexe hoofdstuk uit de late twintigste eeuw.