Darwin beschrijft het gedrag van drie groepen klimplanten: slingeraars, rank- en bladklimmers, op basis van drie jaar observatie van honderden klimplanten uit Europa, Amerika, Azië en Australië. De planten werden buiten, in een koude kas of in een broeikas gekweekt en hun manieren van omhoog klimmen werden nauwgezet vastgelegd. Er gaat veel aandacht uit naar hoe ranken rond- en wentelen in een poging een steun te vinden om zich aan vast te hechten. Door ziekte en beperkte onderzoeksomstandigheden werkte Darwin vaak vanuit zijn studeerkamer; toch ontstond een boek dat nog steeds gezien wordt als een basiswerk voor klimplantenonderzoek. De beschrijving richt zich op drie hoofdgroepen: slingeraars die scheuten om een steun draaien, rankklimmers die hun ranken gebruiken en bladklimmers die met hun bladsteel omklemmen. Planten die zich met haken of worteltjes omhoog werken, komen slechts kort aan bod. Daarnaast gebruikte Darwin de variëteit in klimwijzen om bewijs voor de evolutie van soorten te zoeken en te bevestigen.
In dit werk staan de verschillende klimmanieren centraal en de verscheidenheid binnen dezelfde plantenfamilie als bewijs voor natuurlijke selectie. Het boek onderstreept dat klimplanten zich aanpassen aan hun omgeving door uiteenlopende methoden van steun te zoeken en te gebruiken.
- Drie groepen klimplanten beschreven: slingeraars, rankklimmers, bladklimmers
- Onderzoek duurde drie jaar en betrof honderden planten
- Planten uit Europa, Amerika, Azië en Australië
- Buitenlucht, koude kas of broeikas als kweekomgeving
- Gedetailleerde observaties van ranken en steunzoekend gedrag
- Korte behandeling van planten met haken of worteltjes