In de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd (ca. 1400-1700) ontstond een grote belangstelling voor de geschiedenis van de eigen streek, stad of familie. Ouderdom werd gezien als macht: anciënniteit bood een basis om aanspraken op privileges en grondgebieden te rechtvaardigen. Vorsten, staten en steden in heel Europa onderbouwden hun ambities met historische argumenten, zij het soms ware, soms vervaarde. De zoektocht naar voorouders uit de antieke wereld of een glorieus verleden dat als oudheid kon worden opgevat, stond centraal. Het werd een taak van literatuur, beeldende kunst en architectuur om de lokale of regionale geschiedenis uit te drukken en uit te dragen. Bronnen kwamen uit klassieke schrijvers, middeleeuwse kronieken en documenten, maar ook uit echte en vervalste inscripties, archeologische voorwerpen en ruïnes uit diverse periodes die vaak creatief geïnterpreteerd werden. Monumentale gebouwen, of de resten daarvan, fungeerden als bewijzen van grootsheid en ouderdom van voorouders, en gaven mee vorm aan het begrip van het verleden.
Het onderwerp wordt benaderd vanuit een multidisciplinaire invalshoek, waarbij kunst, taal en bouwkunst samen een beeld schetsen van hoe men in die tijden naar het verleden keek. De auteurs illustreren hoe het lokale verleden werd geconstrueerd en ingezet binnen bredere politieke en culturele contexten, en hoe erfgoed de identiteit van steden en families kon versterken. Het werk biedt inzicht in de rijke en soms ambitieuze interpretaties van antiquiteit en hoe deze werd vertaald naar tastbare monumenten en visuele Representaties.
Kenmerken
- Focus op late middeleeuwen tot vroegmoderne tijd (ca. 1400-1700)
- Ouderdom als basis voor privileges en macht
- Diverse bronnen: klassieke schrijvers, kronieken, documenten
- Gebruik van inscripties, artefacten en ruïnes
- Monumentale gebouwen als bewijs van grootsheid
- Kunst en architectuur verbeelden lokale geschiedenis