Ingmar Bergman (1918-2007) maakte vijftig films, regisseerde meer dan 150 theaterproducties en schreef verschillende boeken, maar de rode draad in zijn leven was muziek. Hij zei vaak dat als hij geen regisseur was geworden, hij dirigent had willen worden, en ging zelfs zover te beweren dat 'film en muziek bijna hetzelfde zijn. Het zijn uitdrukkings- en communicatiemiddelen die de menselijke wijsheid te boven gaan en die het emotionele centrum van een mens raken Bergmans belangstelling voor klassieke muziek werd al vroeg in zijn carrière duidelijk. Music in Darkness (1948) gaat over een pianist die zijn zicht verliest bij een schietongeluk, To Joy (1950) gaat over een violist die droomt van een solocarrière en Summer Interlude (1951) speelt zich af in de Koninklijke Zweedse Opera. Hij bewonderde iedereen die muziek kon uitvoeren, maar zijn grootste liefde ging uit naar pianisten, en concertpianisten worden geportretteerd in Uur van de Wolf, Face to Face en Autumn Sonata. Een van Bergmans favoriete Zweedse pianisten was Roland Pöntinen, die hier een aantal stukken uit Bergmans films vertolkt, van componisten als Mozart, Chopin en Schumann. Pöntinen wordt vergezeld door het Stenhammar Kwartet in het tweede deel van Schumanns pianokwintet, dat Bergman met groot effect gebruikte in het bekroonde Fanny and Alexander. Ook de cellist Torleif Thedéen, een van de favoriete vertolkers van de regisseur, levert een bijdrage aan het project met de sarabandes uit drie suites voor cello solo van Bach.
Prijshistorie
* Prijshistorie bevat geen data van Amazon.
Prijzen voor het laatst bijgewerkt op: