Spartelend aan de fuik ontkomen
Uitgelicht
|
19,95
16,65 |
Naar shop
|
|
19,95 |
Naar shop
|
|
19,95 |
Naar shop
|
Beschrijving
De nakomelingen van Joseph Benedictus en Mietje de Hoop vormden rond 1940 een familie van zo’n 120 personen, vooral woonachtig in de Amsterdamse Rivierenbuurt en de Haagse Bezuidenhout. Ze waren actief in onder meer sigarenhandel, diamantslijpen, productie van surrogaatproducten, politie, architectuur en oud-papierhandel. De dochters trouwden met bankmedewerkers, musici, een toneelspeler, een advocaat en een drukker. Een tak van de familie was katholiek en sommigen waren protestant; velen waren ‘niets’, maar trouwden wel vaak in de sjoel. Na een ruzie in de jaren twintig raakte de familie uiteen. Begin 1941 moest men aangeven of grootouders Joods waren en of zij bij de synagoge geregistreerd stonden. Zo begon een administratieve strijd die leidde tot een dreigend lot in Auschwitz of Sobibor; veertien familieleden vonden daar hun einde. Door te verzetten en krachten te bundelen, wisten velen te ontkomen, met hulp van aangetrouwde advocaat Kymmell, NSB-ambtenaar Wolters en het Duitse hoofd van het Besluitbureau Calmeyer. Oudoom Willem kende een familieverhaal dat van pas kwam, en zijn kleinzoon vocht aan het Oostfront. Het verhaal is vastgelegd aan de hand van papieren van de Calmeyerprocedure en herinneringen van teruggevonden familieleden, vergezeld van familiefoto’s en documenten.
Verhaal
De nakomelingen van Joseph Benedictus en Mietje de Hoop vormen circa 120 personen, met woonplaatsen in de Amsterdamse Rivierenbuurt en de Haagse Bezuidenhout. Ze vervulden uiteenlopende rollen: sigarenhandelaren, diamantslijpers, producenten van surrogaatproducten, politiemannen, architecten en oud-papierhandelaren. De dochters trouwden met bankemployés, musici, een toneelspeler, een advocaat en een drukker. Een tak van de familie was katholiek, sommigen waren protestant. Velen waren volgens de beschrijving ’niets’, maar trouwden wel vaak in de sjoel. Na een ruzie in de jaren twintig raakte de familie uiteengevallen. Begin 1941 moesten zij aangeven of hun grootouders Joods waren en of zij bij de synagoge ingeschreven waren. Zo ontstond een administratieve fuik die leidde naar Auschwitz of Sobibor; veertien familieleden vonden daar hun einde. Door verzet en samenwerking wisten zij in meerderheid te ontkomen, met hulp van aangetrouwde advocaat Kymmell, NSB-ambtenaar Wolters en het Duitse hoofd van het Besluitbureau Calmeyer. Oudoom Willem kende een familieverhaal dat van pas kwam en zijn kleinzoon vocht aan het Oostfront. Het verhaal wordt verteld aan de hand van papieren van de Calmeyerprocedure en herinneringen van teruggevonden familieleden, aangevuld met familiefoto’s en documenten.
De nakomelingen van Joseph Benedictus en Mietje de Hoop vormden rond 1940 een familie van zo’n 120 personen, vooral woonachtig in de Amsterdamse Rivierenbuurt en de Haagse Bezuidenhout. Ze waren actief in onder meer sigarenhandel, diamantslijpen, productie van surrogaatproducten, politie, architectuur en oud-papierhandel. De dochters trouwden met bankmedewerkers, musici, een toneelspeler, een advocaat en een drukker. Een tak van de familie was katholiek en sommigen waren protestant; velen waren ‘niets’, maar trouwden wel vaak in de sjoel. Na een ruzie in de jaren twintig raakte de familie uiteen. Begin 1941 moest men aangeven of grootouders Joods waren en of zij bij de synagoge geregistreerd stonden. Zo begon een administratieve strijd die leidde tot een dreigend lot in Auschwitz of Sobibor; veertien familieleden vonden daar hun einde. Door te verzetten en krachten te bundelen, wisten velen te ontkomen, met hulp van aangetrouwde advocaat Kymmell, NSB-ambtenaar Wolters en het Duitse hoofd van het Besluitbureau Calmeyer. Oudoom Willem kende een familieverhaal dat van pas kwam, en zijn kleinzoon vocht aan het Oostfront. Het verhaal is vastgelegd aan de hand van papieren van de Calmeyerprocedure en herinneringen van teruggevonden familieleden, vergezeld van familiefoto’s en documenten.
Verhaal
De nakomelingen van Joseph Benedictus en Mietje de Hoop vormen circa 120 personen, met woonplaatsen in de Amsterdamse Rivierenbuurt en de Haagse Bezuidenhout. Ze vervulden uiteenlopende rollen: sigarenhandelaren, diamantslijpers, producenten van surrogaatproducten, politiemannen, architecten en oud-papierhandelaren. De dochters trouwden met bankemployés, musici, een toneelspeler, een advocaat en een drukker. Een tak van de familie was katholiek, sommigen waren protestant. Velen waren volgens de beschrijving ’niets’, maar trouwden wel vaak in de sjoel. Na een ruzie in de jaren twintig raakte de familie uiteengevallen. Begin 1941 moesten zij aangeven of hun grootouders Joods waren en of zij bij de synagoge ingeschreven waren. Zo ontstond een administratieve fuik die leidde naar Auschwitz of Sobibor; veertien familieleden vonden daar hun einde. Door verzet en samenwerking wisten zij in meerderheid te ontkomen, met hulp van aangetrouwde advocaat Kymmell, NSB-ambtenaar Wolters en het Duitse hoofd van het Besluitbureau Calmeyer. Oudoom Willem kende een familieverhaal dat van pas kwam en zijn kleinzoon vocht aan het Oostfront. Het verhaal wordt verteld aan de hand van papieren van de Calmeyerprocedure en herinneringen van teruggevonden familieleden, aangevuld met familiefoto’s en documenten.