Manuel Chrysoloras schrijft in 1411 vanuit Rome een lange brief aan zijn vriend, de Byzantijnse keizer Manuel II Palaeologus. In deze tekst vergelijkt hij het Oude Rome met Constantinopel, het Nieuwe Rome, en behandelt zo op subtiele wijze de spanningen tussen oost en west. De vergelijking toont twee veranderlijke werelden: orthodoxie tegenover katholicisme, Patriarch tegen Paus, Grieks tegen Latijn, en Oost tegen West. Toch probeert Chrysoloras de kloof te overbruggen door wederzijdse bewondering te stimuleren. Hij beschrijft Rome en Constantinopel als moeder en dochter, beide diep Romaans, maar de ene soms net wat Griekser dan de andere. Zijn boodschap is dat wederzijds respect en gedeelde liefde voor klassieke literatuur bruggen kunnen slaan tussen culturen die verschillen in traditie en religie.
Chrysoloras en de keizer deelden een gedeelde passie voor antieke literatuur. Als een van de laatste sterren van de Byzantijnse renaissance was hij tegelijk een drijvende kracht achter de Griekse studies in Italië. Daarmee speelde hij een cruciale rol in het ontstaan van het humanisme en werd hij een cultureel icoon voor Italiaanse humanisten. Manuel II zelf schreef ook latere literaire traktaten; een dialoog met een Perzische geleerde trok in 2006 wereldwijd aandacht toen Paus Benedictus XVI eruit citeerde bij een Regensburg-conferentie. De uitgave is relevant voor een breed publiek met interesse in de late middeleeuwen, de Italiaanse renaissance en de Griekse en Osmaanse wereld van de vijftiende eeuw. De eerste Nederlandse vertaling is gemaakt door Nico de Glas en Han Lamers, die ook aantekeningen, nabeschouwing en vertaling van begeleidende teksten verzorgden. Dit werk is nr. 31 in de reeks Griek Proza.
Kenmerken
- Geschreven in 1411 vanuit Rome aan Manuel II Palaeologus
- Vergelijking Oude Rome met Constantinopel, Nieuwe Rome
- Oost-West tweedeling: orthodoxie vs katholicisme
- Rome en Constantinopel als moeder en dochter
- Draagt bij aan Byzantijnse renaissance en Italiaanse humanisme
- Nederlandse vertaling door Nico de Glas en Han Lamers; nr. 31